PDD-NOS en behandeling

Wat is de beste behandeling?

Behandeling kan het beste gezien worden als een overkoepelend begrip voor alle trainingen en therapieën die genoemd worden. Een tekort of specifiek probleem wordt immers behandeld, en dit kan door een bepaalde therapie, of door een bepaalde training.

Een kant en klaar programma voor de behandeling van autisme is er niet. Dit heeft een aantal redenen. Ten eerste is elke persoon met autisme uniek en heeft elke persoon met autisme zijn eigen dingen waar hij tegen aan loopt. De hulpvraag is dus vaak uniek. Dit komt ook door de grote verscheidenheid aan uitingsvormen van mensen met een aandoening op het autismespectrum.

In de tweede plaats is er nog te weinig bekend omtrent de specifieke aard van de stoornis. We kunnen namelijk op dit moment de stoornis alleen nog maar op gedragsniveau diagnosticeren. Observatieschalen, informatie van ouders en andere directe betrokkenen, en (neuro) psychologisch onderzoek vormen de basiselementen waarop de diagnose wordt gesteld.

De meest effectieve behandeling geven (oftewel: evidence-based behandelen) is een doel dat door alle wetenschappers en clinici wordt nagestreefd. Hiervoor zullen bestaande en nieuwe behandelvormen moeten worden onderzocht, waardoor dit een proces is dat nog altijd gaande en zal blijven.

Het is van essentieel belang om de behandeling te richten op alle drie kernproblemen (sociale interacties, communicatie, en stereotiep, zich herhalende gedragspatronen en activiteiten). Uit onderzoek komt namelijk naar voren dat een sterke verbetering op het ene domein niet per se betekent dat er ook vooruitgang is op een ander domein (Happé et al. 2006).

Hoe ziet de behandeling bij PDD-NOS eruit?

Voor het inzetten van een behandeling kunnen er twee behandelingslijnen onderscheiden worden (Rutters, 1985):

  • Behandeling gericht op de vermindering van de draaglast van
    • Ouders
    • Opvoeders
    • Omgeving;
  • Behandeling gericht op het individu met autisme, onderverdeeld in
    • stimulering van de normale ontwikkeling,
    • vermindering van autismespecifiek probleemgedrag (stereotypieën, rigiditeit)
    • eliminering van non-specifieke gedragsproblemen, die zich ook kunnen voordoen bij andere stoornissen zoals eetproblemen, slaapproblemen, driftbuien, agressie e.a.

Een andere ingang voor behandeling, wat samen kan gaan met Rutters behandelingslijnen, beschrijft Kok (1984) met zijn behandelingsstrategieën, namelijk de eerstegraads-, tweedegraads- en derdegraadsstrategie.

De eerstegraadsstrategie betreft de directe omgeving, het leefmilieu en de daarbij betrokken personen. De omgeving moet zodanig zijn ingericht en geordend dat het individu zich veilig voelt en dat het een stimulerende werking op hem heeft. Daarbij kan visualisering helpen door te werken met pictogrammen (bijvoorbeeld op de wc-deur een plaatje, een pictogram of foto van een wc aan te brengen, en de deur van de badkamer te voorzien van een plaatje van een bad, douche of wastafel). Deze visualisering helpt het kind, de adolescent of volwassene in het structureren van het leven van alledag en haakt dus in op het tekort aan planning en organisatie. Juist bij mensen met een autistische stoornis is de eerstegraadsstrategie van wezenlijk belang.

De tweedegraadsstrategie is gericht op de vraag wat dit kind, deze persoon individueel nodig heeft. Hierbij wordt gedoeld op individuele behandelingen. Gezien de complexiteit van aandoeningen in het autismespectrum lopen deze zeer uiteen: logopedie, fysiotherapie, speltraining of -stimulering, sociale vaardigheidstraining, job-coaching, hometraining, gedragstherapie en vele andere. Dit kunnen reguliere of alternatieve behandelingsmethoden zijn. De behandelingsmethoden kunnen ontstaan zijn uit een bepaalde discipline, theoretisch kader, mogelijke oorzaken of gericht op een symptoom. De tweedegraadsstrategie staat ten dienst aan de eerstegraads, omdat alle individuele therapieën teruggekoppeld dienen te worden naar het leven van alle dag. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de verhouding draaglast-draagkracht bij het inzetten van individuele therapieën.

De derdegraadsstrategie is vooral gericht op de eigenheid van deze unieke persoon. De eerste- en tweedegraadsstrategieën worden als het ware ingekleurd door de derdegraadsstrategie. We mogen immers nooit aan de uniciteit en de eigenheid van het kind, de adolescent of volwassene voorbijgaan. Een belangrijke visie die in elk behandelingsplan meegenomen moet worden.

Bronnen:

Autisme ... en dan? Deel 2: Reguliere behandelingsmethoden. Engagement. 1998. Van Berckelaer-Onnes LA, Weber C. en Aerts C.

Autisme: van beeldvorming naar evidence-based (be)handelen: een proces in ontwikkeling

Autisme. 2008. Van Berckelaer-Onnes LA.

Time to give up on a single explanation for autism. Nature Neuroscience. 2006 Oct;9(10):1218-20. Happé F, Ronald A, Plomin R.

Kok, 1984, Specifiek opvoeden in gezin, school, dagcentrum en internaat. Leuven/Amersfoort: Acco

The treatment of autistic children. Journal of Child Psychology and Psychiatry. 1985 26, 193-214. Rutter M.