Theorieën over pdd nos

Ondanks jaren van onderzoek en ervaring is er (nog) geen algemene, allesomvattende theorie over PDD-NOS voorhanden. Momenteel zijn er drie verschillende theorieën die de boventoon voeren: de Theory of Mind-theorie, de Executieve Functies theorie en de Centrale Coherentie theorie. Dit zijn psychologische theorieën die vooral bedoeld zijn om de kenmerken van autisme op gedragsniveau te verklaren.

Theory of Mind-theorie

De Theory of Mind (ToM) betreft het vermogen om gedachten, geloof, intenties e.d. aan een ander en jezelf toe te schrijven. Door de ToM kunnen we het gedrag van andere mensen begrijpen, voorspellen en hier gepast op reageren. Met de ToM-theorie wordt verondersteld dat mensen die gediagnostiseerd zijn met autisme beperkte vermogens tot ToM hebben. Hierdoor kunnen ze zich moeilijk inleven in wat een ander denkt, voelt, verwacht, bedoelt, weet, en dergelijke. De theorie verklaart veel moeilijkheden die personen met autisme ervaren, vooral inzake sociaal contact en communicatie. Echter, de theorie verklaart onvoldoende een aantal andere kenmerken van autisme, zoals de zintuiglijke problemen en de stereotiepe omgang met voorwerpen.

Mogelijk hebben de beperkte vermogens tot ToM bij personen met autisme te maken met afwijkingen in het spiegelneuronensysteem. Dit systeem zorgt ervoor dat bij mensen (en ook bij dieren) dezelfde neuronen in het brein worden geactiveerd bij het zien van bepaald gedrag als ook bij het zelf uitvoeren van dat gedrag. Dus als jij iemand ziet die zijn duim opsteekt, wordt in jouw brein het hersendeel dat verantwoordelijk is voor het aansturen van de spieren om je duim op te steken, ook actief. Momenteel wordt er veel onderzoek gedaan naar de werking van dit hersensysteem met betrekking tot autisme. Misschien is PDD NOS, en andere autisme spectrum stoornissen, dus te verklaren door een afwijking in, of vertraagde ontwikkeling van het spiegelneuronensysteem.

Executieve Functies theorie

De 'executieve functies' (ookwel 'uitvoerende functies' genoemd) van het brein omvatten alle taken die je moet uitvoeren om tot een bepaald resultaat te komen. Het is het regelcentrum van het brein, te vergelijken met het bestuur van een groot bedrijf. Dit deel van het brein staat in contact met de rest van het brein en dient als een soort schakelaar. Functies waaraan je kan denken zijn plannen, organiseren, problemen oplossen, vooruit denken, maar ook tijdsbesef en impulscontrole.

Het is duidelijk dat mensen met PDD-NOS en autisme moeite hebben met een aantal van de vermelde executieve vaardigheden. Dit is dan ook de basis geweest van de Executieve Functies theorie, welke aangeeft dat de uitvoerende functies bij mensen met ASS niet goed is ontwikkeld. Onderzoek toont echter aan dat niet alle executieve functies gestoord zijn in ASS, en zeker niet bij alle mensen in dezelfde mate. Daarnaast zien we dit soort problemen ook bij andere stoornissen, zoals bij ADHD. Ook deze theorie is dus een onvoldoende specifieke verklaring voor ASS en PDD-NOS.

Centrale Coherentie theorie

De Centrale Coherentie theorie stelt dat mensen met ASS sterk op details gericht zijn en moeite hebben met het samenvoegen van waargenomen prikkels tot een betekenisvol geheel. Er zijn problemen met de prikkelverwerking waardoor de betekenisverlening verstoord is. Recent onderzoek bracht aan het licht dat kinderen met autisme soms wel in staat zijn om grotere gehelen waar te nemen. Naar aanleiding van deze bevindingen volstaat de theorie van de zwakke centrale coherentie ook niet voor een gehele verklaring van autisme.

Voortbordurend op de Centrale Coherentie is de theorie 'autisme als contextblindheid '(Vermeulen). Bovengenoemde theorieen lijken allemaal heel mooi en plausibel, echter verklaren ze steeds maar een klein deel van ASS en lukt het niet om allesomvattend te zijn. De theorie van Vermeulen poogt een aanvulling te zijn op de bovengenoemde theorieën waarbij het op zoek gaat naar een gemene deler. Namelijk dat mensen met autisme een tekort hebben aan contextuele sensitiviteit. Context is vooral van belang wanneer informatie onvolledig, vaag of dubbelzinnig is, dus in situaties van onzekerheid en onduidelijkheid. Context speelt een erg belangrijke rol in de menselijke informatieverwerking, vooral in zaken die voor mensen met autisme moeilijk zijn zoals flexibiliteit, focus van aandacht, taalbegrip en niet in het minst het verwerken van sociaal-emotionele informatie.

Duidelijk is dat geen enkele theorie het totale beeld van autisme verklaart of verwijst naar een aanwijsbare disfunctie van het brein, maar al deze theorieën dragen wel bij tot een beter inzicht in het gedrag. Deze psychologische theorieën geven tevens richtlijnen voor de behandeling en bejegening van mensen met autisme.

Literatuur:

Peter Vermeulen, Steven Degrieck. (2006). Mijn kind heeft autisme. Gids voor ouders, leerkrachten en hulpverleners. Tielt: Lannoo

Ina van Berckelaer-Onnes . Autisme: van beeldvorming naar evidence-based (be)handelen: een proces in ontwikkeling. (2010). Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme.

J.A.C.J. Bastiaansen. Neural correlates of emotion processing in autism, schizophrenia and mental health (2011).

Peter Vermeulen. (2007). Autisme als contextblindheid. Wetenschappelijke Tijdschrift Autisme.