Vaststellen van PPD NOS (Diagnostiek)

Bij het vaststellen (diagnosticeren) van PDD NOS wordt er gekeken of de persoon voldoet aan de criteria die genoteerd staan in het handboek DSM-IV (psychiatrisch classificatiesysteem). Dit classificatiesysteem is ook onderhevig aan veranderingen door toename in kennis. Daarom zal er ook weer binnenkort (2013) een nieuwe versie verschijnen, DSM-V. Om te zien welke criteria momenteel gesteld zijn voor PDD-NOS, kijkt u op Wat is PDD-NOS?.

Voor stellen van een goede diagnose worden verschillende middelen ingezet, waaronder het nagaan van de ontwikkelingsanamnese. Dit zijn gesprekken die gehouden worden door een psychiater of psycholoog met de persoon zelf. Ook worden betrokkenen die de persoon meemaken of hebben meegemaakt in zijn of haar kinderjaren uitgenodigd voor een gesprek, om na te gaan hoe de ontwikkeling van de persoon is geweest. Daarbij wordt ook gekeken naar de verschillende omgevingen, zoals de ervaring van de ouders van de thuissituatie en de schoolsituatie.

Als het een kind betreft zal dan ook een leerkracht uitgenodigd worden om zijn of haar ervaringen te delen. Bij volwassenen is dit natuurlijk een stuk lastiger. Dit illustreert ook meteen waarom het zo veel moeilijker is om PDD-NOS en andere autisme spectrum stoornissen nog op volwassen leeftijd te diagnosticeren. Jaren later is het natuurlijk lastiger om een objectief en helder beeld te schetsen van de kindertijd. Daarom vereist deze diagnostiek ook een goede klinische blik en expertise.

Naast de gesprekken die worden gevoerd, worden er ook vragenlijsten afgenomen en kunnen er gestandaardiseerde testen worden afgenomen. Dit is het (neuro)psychologisch onderzoek om het cognitieve en sociale functioneren te evalueren. Op basis van al deze gegevens zal uiteindelijk wel of niet een diagnose gesteld worden.